Op dit werkblad staat per opgave een plus- of minsom met daaronder een kale getallenlijn. Het kind tekent zelf de sprongen boven de lijn, schrijft de tussenantwoorden eronder en vult daarna het antwoord in. Op één blad staan vier tot acht van die opgaven.
De belangrijkste knop is "over het tiental". Daarmee kies je of élke som een brug maakt (47 + 28), of juist geen enkele (42 + 35), of allebei door elkaar. Dat scheelt precies het verschil tussen een rijtje waar je hele groep doorheen komt en een rijtje waar de helft over struikelt. Verder kies je tot 20, tot 100 of tot 1000, plus of min, en hoeveel sommen er op het blad staan.
Meer werkbladen voor groep 3, groep 4 en groep 5.
Tot 20 hoort bij groep 3, tot 100 bij groep 4 en tot 1000 bij groep 5. Begin bij een nieuwe stap met "geen enkele som over het tiental", zodat de sprongen zelf even het enige nieuwe zijn. Zodra dat zit, zet je de knop op "elke som gaat erover" en oefen je alleen nog het bruggetje.
Het blad houdt één manier aan: eerst de hele tientallen in één grote stap, dan de eenheden gesplitst om op het tiental uit te komen, en dan de rest. Bij 84 − 36 is dat 84 → 54 → 50 → 48. Een minsom begint rechts op de lijn en loopt naar links; een plussom begint links. De tussenantwoorden staan onder de lijn, precies waar de boog landt.
Een grote sprong wordt breder getekend dan een kleine: een sprong van 30 is duidelijk langer dan een sprong van 2, en dezelfde sprong is overal op het blad even breed. Precies op schaal is het niet, want dan wordt een sprong van 2 te klein om er iets bij te schrijven, maar het verschil zie je in één oogopslag.
Zet je "eerste som voordoen" aan, dan staat opgave 1 helemaal uitgewerkt op het werkblad, met het woord Voorbeeld erbij. Een kind dat het even kwijt is kijkt dan naar het blad in plaats van naar jou, en je hoeft het blad niet eerst klassikaal voor te doen. Die voorbeeldsom komt bovenop het aantal dat je instelt, dus er blijft evenveel te maken over.
Op het antwoordblad zijn alle sprongen ingetekend, met de sprongmaten erboven en de tussengetallen eronder. Dezelfde sommen staan in dezelfde volgorde op dezelfde bladzijde, dus je legt de twee bladen naast elkaar en ziet in één oogopslag hoe een som had moeten lopen.
Dat de eenheden eroverheen gaan: bij 47 + 28 is 7 + 8 meer dan tien, dus daar zit een brug in. Bij 42 + 35 niet. Ook bij tot 1000 gaat het om de eenheden, dus 347 + 28 is wel een brugsom en 340 + 30 niet.
Standaard wel, onder het uiteinde waar het kind begint. Zet je dat vinkje uit, dan is de lijn helemaal leeg en moet het kind zelf bedenken waar het begint — de lastigere variant.
Rechts. Het startgetal staat aan de rechterkant van de lijn en de bogen lopen naar links, zodat de sprongen dezelfde kant op gaan als het rekenen. Plussommen lopen van links naar rechts.
Dan passen er niet genoeg verschillende sommen in wat je hebt ingesteld, bijvoorbeeld tot 20 met alleen minsommen die over het tiental gaan. Kies een groter bereik, of zet het tiental op door elkaar. Het blad herhaalt liever geen som dan dat het er stiekem eentje bij verzint die niet klopt.